“Het is een soort ziekte waar geen medicijn voor is”

Joop Huizing over ruim 40 jaar ABWC

Verhalen van Vakbekwaamheid, een serie in het kader van 80 jaar ABWC


Als je Joop Huizing vraagt naar het ABWC, dan weet je één ding zeker: het wordt geen kort verhaal. Al meer dan 40 jaar is hij onlosmakelijk verbonden met de organisatie. Eerst als waarnemer, toen als assistent landelijk wedstrijdleider, daarna als bestuurslid en tegenwoordig als secretaris. Zijn kinderen vatten het ooit treffend samen: “Heet je nou ABWC Joop, of Joop ABWC?”

Van vuurtonnen naar realistische scenario’s

Het begon allemaal in de vroege jaren tachtig. Joop werkte destijds bij de brandweer in het Gooi en leerde Jan Guntenaar kennen, een ervaren man die zowel hoofd opleiding als wedstrijdleider als ABWC-bestuurslid was. Jan nam Joop mee naar een vaardigheidstoets en al snel was het raak. “Kun je mij helpen uitzetten?” werd “Waarom word je niet mijn assistent?” En voordat Joop het wist, zat hij midden in de organisatie.

Niet dat het ABWC er toen al uitzag zoals nu. Joop herinnert zich de tijd van vuurtonnen, een stukje hout en een paar spijkers als decor. Een half vat van 200 liter met wat brandstof erin, dat was het vuur. De beoordelingsformulieren werden met de hand ingevuld, uitslagen met een rekenmachine opgeteld en programmaboekjes met een stencilmachine gedrukt. “Dan moesten die bladzijden nog in elkaar gevouwen worden. Met nietjes erin. Het eerste jaar vonden mijn kinderen dat prachtig. Het tweede jaar, toen er weer honderden dozen binnenkwamen, zeiden ze: pap, wij zijn niet thuis.”

Bolwerken en borrels

Het ABWC van de jaren tachtig en negentig was een andere wereld. De dertien provinciale regio’s waren, in Joops woorden, bolwerken. Op de landelijke vergadering werden afspraken gemaakt, maar eenmaal thuis deed iedereen het toch weer op zijn eigen manier. Er was nauwelijks zicht op wat er in de provincies gebeurde. Communicatie ging per brief of per fax, en als er op zaterdagavond na een toets een klacht binnenkwam, had Joops vrouw een vaste tekst paraat: “Joop is er niet. Schrijf het maar op een brief, dan reageert hij maandag.”

Van de tien klachten bleven er dan twee serieuze over. Maar het tekende de tijd: passie en eigenzinnigheid gingen hand in hand. Toch was er altijd de wil om vooruit te gaan, vertelt Joop. “Elk jaar zijn we gaan verbeteren. Dan was het technisch, dan weer de waarnemers, dan weer materialen. Maar er was altijd wel wat nieuws.”

De stichting: een slimme zet

Een keerpunt in de geschiedenis van het ABWC was de overgang van een informeel verenigingsverband naar een stichting. Rond de tijd van de vuurwerkramp in Enschede kreeg het toenmalige bestuur te horen dat de organisatiestructuur anders moest. De penningmeester van de NVBC (de voorloper van Brandweer Nederland) eiste zelfs dat het ABWC zijn financiën en administratie zou inleveren. “Toen keken we elkaar aan en dachten: dit gaat niet gebeuren.”

Joop en vier medebestuurders reden naar Friesland, vonden een notaris en richtten de stichting op. De reacties waren gemengd. “Formeel waren we de dissident. Maar als we het uitlegden, zei eigenlijk iedereen: dat was een hele slimme beslissing.” Die zelfstandigheid bleek cruciaal voor het voortbestaan van het ABWC.

De kracht van competitie

Wie denkt dat het competitie-element bijzaak is, heeft het mis. Joop is daar glashelder over. “Als wij het competitiesysteem eruit halen, dan is het ook over.” Het is precies de spanning van winnen of verliezen die ploegen motiveert om het uiterste uit zichzelf te halen. Hij ziet het bij zijn eigen schoonzoon, die deelneemt aan de vaardigheidstoetsen: “We gaan wel vroeg naar bed, want we moeten morgen spelen.”

Bij de landelijke finales ziet Joop nog steeds mensen in tranen uitbarsten, van blijdschap als ze winnen. Maar ook van teleurstelling. En dat mag, vindt hij. “Dat maakt het juist mooi.” De trofee voor de landskampioen is niet voor niets een gewild collector’s item. Burgemeesters belden weleens op of ze er eentje konden bestellen voor hun winnende ploeg. Het antwoord was altijd hetzelfde: nee. “Dat je ze nergens kunt krijgen, dat maakt het zo uniek.”

Bouwen aan kwaliteit

Wat Joop misschien wel het meest trots maakt, is de enorme kwaliteitsverbetering die hij in ruim veertig jaar heeft gezien. De waarnemers zijn beter opgeleid, de feedback naar ploegen is inhoudelijker geworden. “Vroeger was het: best wel goed je best gedaan. Daar heeft niemand wat aan.” Nu krijgen deelnemers een serieuze nabespreking met concrete aandachtspunten. Dat maakt het ABWC niet alleen een competitie, maar ook een leeromgeving.

Tegelijk is dat ook de uitdaging voor de toekomst. Het ABWC is in de loop der jaren uitgegroeid tot een organisatie die bijna dagelijks werk vraagt. Joop schat dat hij soms zes tot acht uur per dag besteedt aan het ABWC. Dat is niet vol te houden op basis van alleen vrijwilligheid, beseft hij. “We staan voor een lastige fase. Het moet professioneler, maar je wilt niet de ziel uit de organisatie halen.”

Een roeping

Na meer dan veertig jaar is het ABWC voor Joop meer dan een vrijwilligersklus. Het is een roeping, aangedreven door de bezieling van de mensen om hem heen. “De energie komt van samen bouwen, resultaten zien, en dat weer terugkrijgen.” Af en toe is er een tegenvaller, maar de mooie kant wint het altijd.

En de toekomst? Joop hoopt dat het ABWC er nog lang mag zijn. “Op naar de honderd! Wie van ons het ook mag meemaken, ik hoop dat het ABWC ooit die mijlpaal haalt.”


Dit is het eerste interview in de serie “Verhalen van Vakbekwaamheid”, waarin we mensen spreken die het ABWC hebben gevormd. Het ABWC bestaat in 2026 tachtig jaar.