“Ik ben nooit meer weggegaan”
Jan van Amerongen over een leven lang ABWC, van invaller tot voorzitter
Verhalen van Vakbekwaamheid | Deel 6, een serie in het kader van 80 jaar ABWC
Jan van Amerongen kwam bij het ABWC terecht als invaller. Iemand was ziek, er moest iemand inspringen, en Jan stond klaar. Dat was het begin van een betrokkenheid die nooit meer ophield. Van deelnemer in een negenmansploeg, via bevelvoerder en provinciaal wedstrijdleider, tot voorzitter van het ABWC. “Ik ben nooit meer weggegaan”, zegt hij. En dat klopt.
De negenmansploeg
Jan was net bij de brandweer begonnen toen hij voor het eerst meedeed aan een vaardigheidstoets. Het was de tijd van de negenmansploeg, met een ordonnans erbij. De scenario’s waren anders dan nu, maar het enthousiasme was er niet minder om. Jan trof een fanatiek team, waar iedereen op elkaar lette. “Als je zag dat iemand wat vergat, dan vulde je het gauw aan. Met de ploeg samen zorgde je dat het liep als een machientje.”
Het waren lange dagen. Als je ’s ochtends vroeg moest beginnen, ging je niet na je eigen beurt naar huis. Dan maakte je er met de hele ploeg een dag van. Soms werd het wat laat. “Ik weet nog dat ik ’s avonds een ploeglid thuis af moest leveren, aan bellen naar binnen duwen en wegwezen.” Het was meer dan een oefening. Het was een dagje uit, een moment van trots en verbinding met je korps.
De waarde van het samen spelen
Wat Jan altijd is bijgebleven, is hoe de vaardigheidstoetsen doorwerkten in de praktijk. Door samen te trainen en samen onder druk te presteren, raakte je als ploeg zo goed op elkaar ingespeeld dat je dat op echte incidenten terugzag. Die band, dat teamverband, noemt hij een van de grootste waarden van het ABWC. “Dat werkt gewoon makkelijk. Je bent heel goed op elkaar ingespeeld. En dat zie je later in de praktijk terugkomen.”
Van Rivierenland naar het bestuur
Toen Jan ging werken in de toenmalige regio Rivierenland, trof hij een regionaal commandant die zelf penningmeester was van het ABWC. Die zei: daar moet je bij betrokken zijn. Zo raakte Jan “verder besmet met het virus ABWC”, zoals hij het zelf noemt. Hij werd provinciaal wedstrijdleider voor Gelderland en Flevoland, een grote regio die hem door de hele provincie voerde. Soms bleef je overnachten als het meer dan honderd kilometer naar huis was, want ’s avonds laat klaar zijn bij het voorspelen en de volgende ochtend om zes uur weer paraat staan voor de vaardigheidstoetsen, dat was soms te veel.
Via de stuurvergaderingen van het ABWC werd Jan gevraagd als secretaris. Dat deed hij een jaar. Toen kwam tijdens een reis naar het noorden van het land het gesprek op het voorzitterschap. Of hij dat wilde doen? Jan zei ja. “Met veel plezier gedaan. En hij heeft heel veel contacten daardoor gekregen met regionaal commandanten.”
Burgemeesters en betere spullen
Jan herinnert zich nog goed hoe de vaardigheidstoetsen vroeger een directe invloed hadden op de uitrusting van korpsen. In de tijd dat de brandweer onder de gemeente viel, kwamen burgemeesters kijken bij de vaardigheidstoetsen. Die waren trots als hun korps het goed deed. En als het korps betere materialen nodig had, kon je dat via de burgemeester regelen.
Een concreet voorbeeld: sommige korpsen hadden nog persluchtflessen van 200 bar, terwijl anderen al met 300 bar werkten. In het begin liet het ABWC iedereen aflopen naar 200 bar, zodat het eerlijk was. Maar later draaide het inzicht. “We zeiden: je moet juist die burgemeester meenemen en promoten dat een ander het beter doet, dat die betere spullen heeft. Zo kreeg de brandweer van die gemeente ook weer nieuwe middelen.” Hoe enthousiaster je deelnam, hoe meer het gemeentebestuur investeerde. Het ABWC speelde daar een mooie rol in.
Het moet morgen kunnen gebeuren
Als voorzitter maakte Jan de ontwikkeling mee van wedstrijden naar vaardigheidstoetsen, en van geconstrueerde scenario’s naar realistische incidenten. Vroeger zaten er verborgen elementen in de scenario’s waar je zelf achter moest komen. Nu gaat het om het incident zelf. “We zeiden als bestuur: het moet eigenlijk morgen kunnen gebeuren in de praktijk.”
Die ontwikkeling zette zich ook door in hoe de vaardigheidstoetsen werden voorbereid. Als wedstrijdleider ging Jan altijd met twee of drie mensen naar het organiserend korps om het scenario door te spreken. Vaak moest er iets worden ingekort, want de organiserende post wilde het altijd nog groter en mooier maken. De kunst was om enthousiasme te behouden en tegelijkertijd het scenario werkbaar te houden.
Jan zag ook hoe vakbekwaamheidsorganisaties binnen de veiligheidsregio’s steeds meer gingen doen met de data uit de vaardigheidstoetsen. Resultaten werden niet alleen gebruikt voor de beoordeling van die ene dag, maar als input voor het opleidingsprogramma van het jaar erna. “De Kracht van Vakbekwaamheid” werd meer dan een slogan.
Het virus blijft
Jan volgt het ABWC nog altijd op de voet. Hij bekijkt de programmaboekjes, checkt de uitslagen en gaat als het kan nog langs bij een vaardigheidstoets. Als hij op zaterdag die rode auto’s op de snelweg ziet rijden en weet dat ze onderweg zijn naar een vaardigheidstoets, doet hem dat nog steeds wat. “Dan denk je: mooi dat ze dat allemaal kunnen doen.”
Na 80 jaar is het ABWC volgens Jan nog springlevend. De organisatie is meegegroeid met de tijd, de scenario’s zijn realistischer dan ooit, en er wordt met net zoveel enthousiasme deelgenomen als vroeger. “Ik denk dat als ze zo doorgaan, ze zeker de honderd ook halen.”
Dit is deel 6 in de serie ‘Verhalen van Vakbekwaamheid’, ter ere van 80 jaar ABWC. Lees ook de verhalen van Joop Huizing, Theo Seubers, Guy Roumans, Maarten Leune en Jan Hammer.
80 jaar ABWC. De Kracht van Vakbekwaamheid!